Gelijke monniken, gelijke kappen

mei 25, 2012

Het laatste stukje proza dateert al weer van 25 februari. Dat lijkt mee te vallen, ware het niet dat het om 25 februari van de jaargang 2011 gaat. Ongeveer anderhalf jaar lang is het stil geweest op deze blog. Het is ter zielen gegaan, zoals dat zo mooi heet. Maar wat Jezus kan, kunnen wij beter. Vandaar een herstart. Na anderhalf jaar droog te hebben gestaan, wordt deze panda onder de blogs weer nieuw leven ingeblazen. De overheid is een dankbare martelaar om mijn blog weer wat onder de aandacht te brengen. De politiek is als een groot doel, met een kleine keeper. Makkelijk scoren dus. Dat neemt niet weg dat je moet schieten om te kunnen scoren.

Mijn grootste ergernissen van de laatste maanden zijn de gigantische plakkaten paardenstront die zo om de dag het Leidseplein en omgeving teisteren. Eerlijkheidshalve moet gezegd worden dat ik hier niet geheel onbevooroordeeld te werk ga. Paarden behoren, op zijn zachtst gezegd, niet tot mijn favoriete diersoort. Een beest dat alles doet voor een suikerklontje, was waarschijnlijk verschrikkelijk fout in de oorlog. Fout of niet fout, dat geeft je nog niet het voorrecht om twee keer per dag het Leidseplein onder te schijten. De berijders, de onversaagde politiemacht van Amsterdam, aangestuurd door het Ministerie van Justitie mogen verantwoordelijk worden gehouden voor deze straatvervuiling. Voor burgers geldt namelijk exact hetzelfde. Immers, als ik mijn hond uitlaat zonder hondenpoepzakje in mijn binnenzak, dien ik de staatskas met 50 euro te spekken. En als je 3-jarige zoontje niet over een gigant van een blaas blijkt te beschikken en je laat hem aan de kant van een provinciaalse weg de berm in ouwehoeren, dan moet je al snel 120 euro aftikken.

Vanuit het perspectief van rechtsgelijkheid kom ik tot het volgende: de politie Amsterdam bevestigt een Albert Heijn Bigshopper achter hun cavalerie, of de wildplasboetes worden met onmiddellijke ingang uit het wetboek geschrapt.


Etiketten van de hoge nood

februari 25, 2011

Soms is je hoofd als een toiletpot en moet je even doorspoelen. Het zijn vaak de kleine dingen die je aan het denken zetten. Sinds ik deze spreuk op een niet nader te noemen toilet van een tegeltje plukte, ben ik over andere dingen gaan nadenken. Of beter gezegd: anders over dingen gaan nadenken. En sindsdien werk ik aan een geschrift. Een Bijbel voor toiletbezoeken.

Aangezien ik met een aanzienlijk aantal mensen in één huis woon, kun je er vergif op innemen dat er vroeg of laat een keer heibel uitbreekt. Het eerste stadium kenmerkt zich door gefluister op de gang en hard dichtslaande deuren als er iemand voorbij loopt. De sfeer slaat merkbaar om. Er worden medestanders voor een revolutie gezocht en langzaam maar zeker verandert het anonieme gefluister in een zelfverzekerde schreeuw. Viva la revolución! Het meest recente twistpunt is het toiletbezoek en dan in het bijzonder de wc-bril. En laat dat nou toevalligerwijs een van de zaken zijn waar ik, indien me dat leuk had geleken, in de eerste alinea naar had kunnen verwijzen.

Ik ken ze hoor. Mensen die zichzelf voor een dagdeel op het toilet opsluiten om er de hele familie Barbapapa uit te poepen en in de tussentijd op hun elfendertigst een boek uitlezen. In mijn Bijbel zou het de dader van zo’n vergrijp een handvol Weesgegroetjes aan boetedoening kosten. En een recidivist mag geheel in de lijn met de grote Bijbel op een krans van rozendoorns gaan zitten. Eens zien hoeveel bladzijden hij dan nog gelezen krijgt.

Zonder mezelf al te veel op de borst te willen kloppen, kan ik met een gerust hart stellen dat ik een vrij sociaal toiletbezoeker ben. In ieder geval een stuk socialer dan de meeste andere mannen. De bril gaat omhoog als ik moet plassen en als alles achter de rug is, klap ik hem netjes weer omlaag. Er blijven geen ongewenste druppels achter op plekken waar ze niet horen en de dame na mij hoeft haar vingers niet te bevuilen aan het naar beneden doen van de bril. Iedereen tevreden.

‘Vanwaar dan alle ophef?’ hoor ik u denken. Ik zou liegen als ik zei dat ik niet hetzelfde dacht. Echter, als ik mijn vrouwelijke huisgenootjes mag geloven, dan deelt niet iedereen mijn vrouwvriendelijke toiletvisie. Sterker nog, een aantal mannelijke huisgenoten hangt een wat meer geëmancipeerde theorie aan en maakt er een sport van om waar mogelijk over de bril heen te druppelen. Wat betreft het omlaag doen van de bril koesteren ze een adagium waar zelfs de meest doorgewinterde feminist een puntje aan kan zuigen. ‘Wij doen ‘m omhoog, jullie omlaag.’ Met het oog op de nog immer toenemende emancipatiedrang van de meeste vrouwen, is daar geen speld tussen te krijgen. Toch wil ik in mijn Bijbel het vrouwelijke geslacht en alle mannen die zittend plassen tegemoet komen. Zoals de grote Bijbel een leidraad is voor alle Christenen, zo moet mijn geschrift duidelijkheid scheppen voor iedere toiletbezoeker in het land. Man of vrouw, homo of hetero, PVV-er of SP-er. Voor iedereen geldt dezelfde regel.

De bril gaat omlaag, uit pure hoffelijkheid.


Dwaasheid

oktober 1, 2010

Ik wil je graag vertellen wat er rondspookt in m’n hoofd. Zou iemand mij het zeggen, zou het nooit hebben geloofd. [1]

M’n stiltes vallen op. De minuten verstrijken gestaag terwijl ik hopeloos verdwaal in haar grote mooie ogen. Een beetje groen en iets meer bruin. Alsof je door een bos loopt en de lente kan ruiken. Het gesprek dat ze voert met een vriendin gaat volledig aan me voorbij. Als ze plots opkijkt en vraag wat er is, mompel ik wat onverstaanbare woorden om vervolgens snel weg te kijken. M’n eigen lafheid overvalt me. Ik denk met m’n benen en zou het liefst hard wegrennen. ‘Ik wil je graag vertellen, maar ik kan niet, weet niet hoe.’

Il n’y a pas d’amour perdu.

Verliefdheid heeft onmiskenbare gelijkenissen met huiduitslag. De gedachte alleen al maakt het heviger en erger. Het bieden van weerstand lijkt op voorhand zinloos, maar is vooralsnog het enige wat ik doe. Het kriebelt, maar als ik krab  wordt het niet minder. Het brandt, maar als ik blus, dan dooft er niets. Het beweegt, maar als ik slaap blijft het wakker. Verlangen maakt me onrustig als een klein jochie op de vooravond van z’n verjaardag. In de liefde is niets meer overtuigend dan een moedige dwaasheid. Ik weet wat er komen gaat.

Een grote hartstocht moet je volgen.


[1] Acda en de Munnik – Wacht Op Mij


Geduld

september 16, 2010

Verliefdheid, dat is een smal kronkelig weggetje richting liefde, vol kuilen en verraderlijke vallen. Een route die je onder normale omstandigheden links laat liggen. Toch slaat menigeen, wellicht in een vlaag van verstandsverbijstering, telkens weer linksaf waar rechts veiliger lijkt. ‘Liefde is voor drie vierden nieuwsgierigheid.’ Het was Giacomo Casanova zelf die deze woorden ooit, ergens middenin de 18e eeuw, liet optekenen. Nieuwsgierigheid leidt ons dat kronkelweggetje op, krenkt hier en daar wat trots en breekt soms een ego.

Sinds kort ben ik nieuwsgierig. Het lijdt nauwelijks twijfel dat ik aan het begin van een kronkelpad sta. In de verte zie ik hier en daar een afgrond en op sommige plekken kronkelt het wat heviger dan op andere. In een ideale wereld ga je op pad en kom je de persoon die nieuwsgierigheid opwekt ergens halverwege tegen. Gedeelde smart is immers halve smart. In minder utopische omstandigheden wil of durft één van beiden het pad niet of slechts gedeeltelijk op. Wat rest is dan een salade van geduld en hoop.

Als liefde een kaartspel was, dan zou geduld de troef zijn. Te veel heeft, onder het mom ‘overdaad schaadt’, vaak een averechts effect. Het is vergelijkbaar met arsenicum: een beetje sterkt de liefde, veel doodt haar. Anders gezegd: geduld heeft veel weg van alcohol. Geniet, maar (drink) met mate.

De vrouw die ik halverwege mijn kronkelpad tegen wil komen is mooier dan alle andere. Zij is net als kunst en wetenschap: ze wil veroverd worden. Helaas voor alle jagers geeft ze het begrip geduld een geheel nieuwe dimensie; engelengeduld wordt het in de volksmond genoemd. Als ze uiteindelijk besluit om het kronkelpad te verkennen, zal ze langzaam lopen zodat ze langer mooi zal zijn. Er zal naar haar gekeken worden, omdat het onmogelijk is niet te kijken. En tenslotte zal er gezwegen worden, omdat woorden tekort schieten.

Een dag hier is al te lang. Ze maakt me boos, ze maakt me bang. Ze trekt me aan, ze duwt me aan. Ze trekt me aan, ze duwt me weg. Ze trekt me aan.


Payback

juni 14, 2010

De grauwe achterstandswijken van Blagovesjtsjensk zijn architectonische hoogstandjes vergeleken bij de VU. De betonnen setting in Buitenveldert staat algemeen bekend als het meest deprimerende gedrocht van Amsterdam.  Het is vroeg deze maandag. De tentamens staan voor de deur en vanmiddag speelt onze nationale trots zijn openingswedstrijd tegen de immer onverstoorbare Denen. Onder deze omstandigheden loop ik naar de VU om me in te schrijven voor een tentamen. Het systeem wat daar doorgaans voor gehanteerd wordt vertoont kuren, zo werd mij per e-mail duidelijk gemaakt. ‘Wij hebben u niet kunnen inschrijven voor de volgende tentamens: Burgerlijk Proces en Insolventierecht.’

Om precies half tien sta ik geknipt en geschoren bij de juffrouw van de studentenbalie, die me vervolgens met een glimlach doorverwijst naar het studiesecretariaat ettelijke verdiepingen hoger. Sportief als ik ben besluit ik om de lift links te laten liggen. Zo’n 250 trappen later loop ik lichtelijk hijgend door de allerminst inspirerende gangen van de VU. Een blauw bordje licht op in de verder kale gang: ‘Studiesecretariaat, geopend van 10.00 – 16.00’. Een half uur wachten, dat zal m’n humeur goed doen.

Het is tien over tien als de deuren opengaan. ‘Zit je al lang te wachten?’ Een naar pindakaas ruikende vijftiger kijkt me vragend aan, terwijl ze de laatste restjes van haar boterham naar binnen propt. ‘Ik kom me inschrijven voor m’n tentamen.’ begin ik vol goede moed. Een tweede vrouw komt achter haar computer vandaan. Een type waarbij je zelfs met mijn gebrek aan mensenkennis moeiteloos ziet dat ze zo vals als een kat is. Kort haar met geverfde  blonde strepen, hip brilletje en gekleed in felle lompen stof, die futloos langs haar ietwat corpulente lijf bungelen. ‘Je komt je inschrijven voor je tentamen? Dat zijn vragen die je moet mailen.’ bijt ze me toe. Ze heeft een stem die uitstekend bij haar uiterlijk past. ‘Mevrouw’, antwoord ik, terwijl m’n ergernis rijst, ‘Ik stelde geen vraag, maar wil me slechts inschrijven voor een tentamen. Kunt u dat voor mij regelen? En dat laatste is overigens wél een vraag.’ Met een blik vol minachting kijkt ze me aan, klaar om te vuren. ‘Je bent een dag te laat, het gaat je €22,50 kosten.’ Gelukkig schiet haar collega, de pindakaasvrouw, me te hulp.

Als ik ingeschreven en wel de ruimte uitloop, wens ik beide dames een fijne middag en veel kijkplezier bij de wedstrijd van Oranje toe. ‘Of moeten jullie dat missen?’

Payback’s a bitch!

PS Over payback gesproken. Ik acht de kans aanzienlijk dat volgende week blijkt dat ik niet sta ingeschreven voor m’n tentamen. Ergens op de vijfde verdieping schalt dan hoogstwaarschijnlijk een vals hoongelach door de krochten van de VU en lachen twee vrouwen hun gele tanden bloot.


Lief of leed?

april 26, 2010

Bzzz! Ik schrik op van een vreselijk geluid. Een oorverdovend gerinkel, midden op de dag. Terwijl buiten de vogeltjes en de bouwvakkers – het is immers nog altijd recessie – onverstoorbaar verder fluiten, doe ik de voordeur open. Een goede vriend, verantwoordelijk voor het afschuwelijke geluid van luttele seconden geleden, stapt na de gebruikelijke begroetingen mijn zorgvuldig van kaarsjes en andere tierelantijntjes onthouden testosteronpaleis binnen. Voor we goed en wel een voet over de drempel hebben gezet, steekt hij van wal over het wel en wee van de afgelopen dagen. Voornamelijk het wee komt ter sprake. Zijn voormalig vriendinnetje, voorheen tot vervelens toe bestempeld als de vrouw van zijn leven, heeft hem zonder blikken of blozen en voor volk en vaderland aan de kant geschoven. Volledig ontgoocheld en lichtelijk geëmotioneerd neemt hij op de bank plaats. Iedere beweging verraadt de hunkering naar een liefkozende vrouwenhand. Het verlangen en de onmacht vechten om een plek in zijn blik. Alsof je naar een priester kijkt terwijl de zomervakantie voor de deur staat. Mijn vriend zucht diep. Twee jaar lang heeft hij de liefde met een vrouw gedeeld. Jaren van vriendschap en intimiteit, waarna ze zonder pardon zijn hart brak. En dat is waarschijnlijk koren op de molen voor mensen zoals ik, die zoveel bindingsangst hebben dat ze hun schoenveters niet eens durven te strikken.

Een goede vriend onderscheidt zich in tijden van nood. En zoals een goede vriend betaamt laat ik zijn klaagzang als een koude douche op een winterse ochtend over me heen kletteren. Ondertussen open ik met een subtiele zwier, in de hoop er wat eetbaars te vinden, de deur van mijn rijkelijk gevulde koelkast. Mijn blik blijft hangen bij een pak melk, waarmee ik inmiddels een langere relatie heb dan met mijn laatste ex-vriendin. Een handvol maanden valt nauwelijks een relatie te noemen, maar de overeenkomsten met het pak melk uit mijn koelkast zijn onmiskenbaar. Er zijn slechts enkele weken voor nodig voordat de melk aan alle denkbare kanten begint te klonteren. Twee jaar, zo lang heeft de relatie van mijn vriend en zijn droomvrouw geduurd. Wat een enorme klonters moeten dat geweest zijn.

Wanhopige onbeantwoorde liefde. Het is als sterven, maar niet doodgaan.* Ondanks de kans op een martelgang en waarschuwingen van vriend en vijand, trappen we telkens weer met beide voeten en open ogen in de val der verrukking. De onbevangenheid van liefde is een gevoel en daarom zelfs niet met de mooiste woorden te omschrijven. Het is een gevoel, in mijn gedachten het best te vergelijken met het Nederlands elftal op een wereldkampioenschap. De roes van onoverwinnelijkheid. De spanning wanneer het fout dreigt te gaan en boven alles de ultieme vreugde bij een doelpunt. Wie er dan ook naast je staat: je beste vriend, de liefde van je leven of de Chinees van om de hoek; het doet niet ter zake. De tijd staat stil en zorgen bestaan niet.

Krap twee uur later is mijn vriend het leeuwendeel van zijn frustraties kwijt. Alles heeft hij in de strijd gegooid om me te overtuigen van de noodzaak van het vrijgezellenbestaan. Pijnlijke verhalen over vervelende, op de klippen stukgelopen relaties en een uiteenzetting over de verstikkende dwangbuis die liefde heet. Ik knik instemmend, maar verlang stiekem naar de zomer. Naar het WK.

* vrij naar Acda en de Munnik – Zitten Voor de Blues


Niets

maart 30, 2010

De 30ste verdieping was voor mij niet hoog genoeg. Ik keek uit over de stad, over het water. Ik zocht naar iets van jou, maar vond alleen iets van mezelf. Het zei me niets, dat was voor later. [1]

Na drie kwartier ontspanning in een heet bad, loop ik met slechts een handdoek om m’n middel naar het balkon. Twee deuren zwaaien open en frisse lucht komt me tegemoet. Warmtedampen stijgen van m’n lichaam omhoog, terwijl condens zich langzaam maar zeker een weg naar beneden druppelt. De stangen van de balustrade zijn koud. Ik pak ze vast en staar de verte in. De zon zakt langzaam onder de horizon en een oranje gloed verspreidt zich over de stad. Amsterdam wordt bedekt met lente. Enkele minuten verstrijken, maar het lijken uren. De wind voelt zacht en waait door m’n nog natte haar, dat lichtjes meedeint op het ritme van de lente. De lucht ruikt naar jasmijn. Als er ooit een antwoord komt, dan komt het nu. Het blijft stil. Niets dan leegte.

Je bent naast me komen staan, terwijl een traan tergend traag zwicht voor de zwaartekracht. Langzaam, van je ogen naar je wang, je mondhoek, kin. Slechts een spoor van nattigheid blijft achter. Alles wat zo mooi had kunnen zijn, gevangen in een druppel. Hij valt na een lichte aarzeling op de stenen vloer uiteen. Onze blikken kruisen. Je ogen verraden de berusting en ik weet dat het altijd stil zal blijven.

And we’re standing outside of this wonderland. Looking so bereaved and so bereft.
Like a bowery bum when he finally understands. The bottle’s empty and there’s nothing left. [2]


[1] Bløf – Barcelona

[2] Dire Straits – Your Latest Trick